In april dit jaar vertrok ik vanuit de Pyreneeën naar Nederland, met mijn ruim drie maanden oude pup Dotta. Ik reisde langzaam vanwege het uitlaten en de vermoeidheid door het rijden van de mooie kleine weggetjes in plaats van de dure tolwegen. Frankrijk vind ik een prachtig land dat mij steeds het gevoel geeft eeuwen terug te gaan in de tijd. De authentieke dorpjes vormen een soort openluchtmuseum dat ik zeer de moeite waard vind om te bezichtigen.
Omdat ik onderweg langs Healing Inns reis, is het steeds weer een hartverwarmende ervaring de mensen te ontmoeten. Soms voor de eerste keer, soms voor de tweede keer of zelfs nog vaker en dan voelt het bezoek als even thuiskomen.
Ik deed ‘Domaine de Migou’ weer aan vlakbij Larrazet en ‘Chateau Sablou’ vlakbij Monitignac. Ik bezocht ‘Les Isles des Rèves’ vlakbij Nontron, ‘La Caille’ bij Bourbon, de ‘Natuurlijke tijd’ en community ‘Ecolonie’ in de Vogezen en ‘Happiebeach’ in Balen. Om uiteindelijk op 18 april als verrassing aan te komen op de verjaardag van mijn nichtje in Eindhoven.
Vrienden en familie
Want wat heb ik ze gemist! Ik schreef er al eerder over, dat ik de mooiste landen kan bezoeken, maar dat mijn vrienden en familie daar niet bij zijn. Na maanden van onderweg zijn, is het zó fijn om me weer een tijd onder te dompelen in een gestructureerd leven van werken, mantelzorg en bezoeken van vrienden en familie.
Hoe fijn om regelmatig mijn zoons te zien en te knuffelen. Mijn vriendinnen te ontvangen in mijn camper, met ze te wandelen en uren bij te praten. Ze op te zoeken op een feestje met potluck eten en heerlijke onzin gesprekken over alles en niets. Mijn familie weer te zien, met ze bij te praten en ergens ook een stukje jaloezie te voelen van hun, ten aanzien van mijn manier van leven die zo anders is, dan het gestructureerde gezinsleven dat zij hebben.
Wonen in het bos
Mijn camper kon ik voor het vierde jaar kwijt op het mooie terrein in de bossen van Naarden. Met een tarp tegen de zon en de ergste regen, een eigen picknicktafel en waterpunt, had ik een eigen plekje gemaakt. Ik woonde hier in ruil voor één dag meehelpen per week. Dat meehelpen verschilde per keer. Vaak werd er een klus uitgezocht waar meerdere handen voor nodig waren. Zo stond de beheerster van deze locatie eens op een hefplateau dat voor aan de trekker was bevestigd en liet ik haar geleidelijk aan naar boven gaan, zodat zij aan een half afgebroken tak een touw kon vastmaken. Eenmaal beneden trokken we met de trekker de boomtak uit de boom. Maar er zijn nog zoveel andere dingen te doen op een groot landgoed: van schoonmaken van de hutten, dakgoten, raampartijen, naar het schilderen van de voorzijde van een appartement, tot het kloven van hout, het terrein maaien en snoeien. Ik vind het allemaal leuk. Vooral dat het zo gevarieerd is en heel veel buiten.
Ik kijk uit naar ’t moment dat ik mijn eigen plek heb gevonden en dit ook bij mezelf kan gaan doen. Ik ben zo goed getraind inmiddels dat ik kan zeggen dat ik veel aan kan pakken.
Overige werkzaamheden als fysio, opruimcoach en klusser
Zeker één dag in de week pakte ik het werk als fysio op in mijn oude huis waar ik nog een praktijkruimte heb. Mijn ex woont daar met onze jongste zoon. De uitdaging is om van tevorenop alleen de gang die als wachtruimte gebruikt wordt, schoon te maken, net als de wc en mijn praktijkruimte. Ik moet moeite doen om de rest, die ook een flinke schoonmaakbeurt kan gebruiken, niet te zien. Het is mijn huis niet meer. Mijn geur zit er niet meer aan. Mijn hand is niet meer te zien. De plantjes hangen er verlept bij en ik hoor ze roepen om aandacht…. Het is een mannenhuis geworden.
Het is fijn om de cliënten weer te zien en ze te spreken. Hun leven is ook doorgegaan. Het is weer even de draad oppakken en drie maanden later weer loslaten. Het voelt heel vertrouwd en eigen en niet alsof er zoveel tijd tussen heeft gezeten.
Ook als fysio geef ik vooral heel veel aandacht als ik behandel. Daar blijken we allemaal naar te verlangen: naar iemand die er echt even voor je is met volledige aandacht. Dat alleen is al helend.
Eigenlijk geldt dat voor alles en iedereen. Voor onze familie en vrienden, voor het huis waarin we leven, voor onze planten en tuin, voor onze huisdieren en voor onszelf niet te vergeten. Je voelt wanneer er gezorgd wordt voor een huis als je binnenkomt. Wanneer de planten je tegemoet glimmen. Wanneer een hond je kwispelend gedag komt zeggen.
In zekere zin denk ik dat we in deze wereld een groot aandachtprobleem hebben, omdat we van het ene naar het andere haasten, zonder het ene eerst te verwerken. Als we de tijd zouden nemen om de ander te ontmoeten bij de bushalte of in de supermarkt, dan zou er veel minder agressie en eenzaamheid zijn.
Zo ook in mijn werk als opruimcoach of klusser. Ik geef aandacht aan de klus. Ik maak het huis weer mooi, ik repareer het, maak het schoon of ruim het op. Ik begeleid in het doen van achterstallige administratie of in het sámen opruimen. Vaak is de toestand van een huis metaforisch voor het leven van de cliënt. Is hij of zij een verzamelaar (kán iemand wel iets weggooien of wegdoen)? Wordt er afgestemd wat er belangrijk is met alle bewoners en houden de mensen zich aan die afspraken? Weet iemand wel hoe dat moet, schoonmaken en opruimen? Daarin begeleiden kan ook therapeutisch werken en inzicht geven in de persoonlijkheid van hem of haar zelf. Nu ik weer op reis ben, zie ik dat ook terug op de diverse locaties die ik bezoek. Dat de één opruimt en de ander er weer een rommeltje van maakt. Er zijn dan verschillende visies die tegen elkaar in gaan en dat geeft wrijving. De één voelt zich niet gezien in haar of zijn inspanningen, terwijl de ander zegt dat hij/zij het wél ziet, maar het niet zo belangrijk vindt. Hierin afstemming zoeken, kan de eerste stap zijn naar een harmonieuzer samenleven.
Mooi om de ontwikkelingen te volgen in de verschillende huizen waar ik gewerkt heb en dat ik daar een klein aandeel in heb gehad.
Afscheid van mijn tante
In vorige blogs heb ik geschreven over de mantelzorg voor mijn tante en de intimiteit die ik bij haar ervoer als ik voor haar zorgde.
In de vroege ochtend van twee juli is mijn tante overleden. Alleen en op haar eigen wijze.
In de derde week van april kwam ik terug in Nederland. In diezelfde week nadat ik mijn kunsten had gebotvierd als opruimcoach ging ik bij haar op bezoek in verpleeghuis ‘de Kloek’ in de Pijp in Amsterdam.
Sinds een week lag ze op bed met wat ongedefinieerde pijn in haar lage rug of heupen. Ze was goed aanspreekbaar en net zo aan het mopperen als anders. “De medebewoners komen zo maar binnen, de verpleging maakt niet schoon en niemand komt langs.“
Mijn pup Dotta vond ze maar niets. Die ging languit liggen op de vloer en was dan een paar uur onder zeil.
Ik maakte thee voor ons met een geliefd bitterkoekje, deed een boodschapje voor haar en liet gelijk Dotta uit in het Sarphatipark, maakte een praatje met de medebewoners (waarvan er eentje idolaat was van Dotta) en belde af en toe met de nichten in Australië of Canada.
Naarmate de weken vorderden herstelde ze niet, maar keerde ze zich steeds verder in haar schulp. Ik vroeg aan mijn directe familieleden of ze behoefte hadden aan een laatste gesprek middels videobellen. Mijn zus en nicht reageerden daarop positief. De nichten in het buitenland vonden dit te confronterend en ik stuurde hun steeds een eigen update. Andere familie en vrienden kwamen op bezoek.
Ik vond het steeds moeilijker om te komen en niets meer te kunnen dóen. Voorheen nam ik haar graag mee in de rolstoel naar het park of de kringloopwinkel dichtbij, maar dat ging niet meer. De plantjes kregen water, ik nam de badkamer onder handen, naaide een kapotte zoom van een jurkje, schreef in de agenda die als overdracht schrift fungeerde en toen was het klaar. “Wat kan ik nou nog doen?” vroeg ik mijzelf af. “Haar hand vasthouden, haar hand masseren, gewoon maar wat vertellen in de hoop dat ze me begrijpt?“
Ik ben zo’n mens van actie, dat ik het ‘nietsdoen en alleen maar zijn’ bijna niet verdroeg.
Dan maar slapen. Ik pakte de mat die voorkomt dat áls ze uit bed valt, zich niet zo bezeerd, en ging daarop liggen dutten.
Ik heb één hele fijne herinnering in die maanden en dat was dat ik heel dicht bij haar bed ging zitten en mijn hoofd op haar rechterschouder legde. (Mijn tante en ik waren nooit scheutig met liefkozingen. Ik raakte haar vaak aan onder het mom van masseren of haar haren kammen en dat vond ze fijn). Ik pakte één hand vast en vertelde haar “Weet je nog dat we naar ’t Amstelpark gingen?” Ze mompelde “Ja.” “Weet je nog jouw favoriete plekje daar, op dat bankje bij het vennetje, waar we dan een boterham aten en sinaasappelsap dronken?“. Weer een “Ja.” “Kun je de rododendronstruiken in bloei zien, in diverse kleuren, die je altijd zo mooi vond?” “Ja.” “Weet je nog de molen langs de Amstel waar opa en oma vanuit de Weesperzijde naartoe liepen om voor een kwartje een beker karnemelk te drinken?” “Ja.“
“Weet je hoe fijn ik het vond om je op te halen om naar de verjaardagen te gaan, waar jij dan op een kinderstoeltje ging knutselen met de kinderen?” “Ja.” “En onze bezoeken aan oma in Nunspeet, waar wij dan gingen wandelen als zij even ging rusten en we pas uren later terugkwamen omdat jij persé langs de Zandenplas wilde?” “Ja.“
We werden onderbroken door ’t bezoek van de pedicure die ook langskwam. Maar dit moment was mij heel dierbaar. Nu zou je kunnen aanraden om dat nogmaals te gaan doen, maar zo’n moment heeft momentum nodig en valt niet af te dwingen.
Ik probeerde dingen te vinden die ze nog leuk vond en die haar nog wat kwaliteit van leven gaf: iets lekkers te eten of drinken geven, mooie foto’s te laten zien uit India, met mijn klusmaatje Kato bellen die ze heel graag mocht.
Er bleef steeds minder over. Het leven in haar trok zich terug. Ze was in strijd. Haar hart klopte nog zo sterk en haar wil was er ook nog. Ik nam een goede vriendin mee en terwijl we sámen stil bij haar zaten, opende ze haar ogen en bitste ons toe “Wat kijk je nou?” en in hetzelfde bezoek zei ze “Ik wil wat ik wil!“
“Die gaat nog lang niet dood“, realiseerde ik me. “Ze wil het allemaal zelf in de hand houden.“
Het eten stopte. Het drinken ging eerst nog uit een gewoon glas met een rietje, later uit een aangepaste beker en nog veel later alleen met een sponsje om haar mond te bevochtigen.
Haar gezicht viel in. Haar rechte neus en mooie kaaklijn hield ze, net als haar prachtige handen met mooie lange vingers en verzorgde nagels. Haar haar was kort geknipt en een warboel, omdat ze alleen nog maar op haar rug lag. Op haar zij kon ze niet meer liggen. Het valgevaar was geweken. Ze had niet één doorligwond en bleef ons herkennen tot in de laatste week. Maar ze raakte de draad van haar leven nog verder kwijt. Ze begon een zin en vergat dan wat ze wilde zeggen. Sloot haar ogen met een zucht en viel weer in slaap.
Mijn bezoeken werden korter. Ik gaf de voorkeur aan Dotta laten spelen in het Sarphatipark, haar laten zwemmen en haar dan laten slapen op de vloer bij mijn tante. Soms in combinatie met een afspraak bij het park met vrienden om wat te gaan drinken en bijpraten.
Ik hoopte wel dat ze zou gaan hemelen als ik nog in Nederland was. De datum van vertrek kwam steeds dichterbij. Op 30 juni was ik voor het laatst bij haar samen met mijn neef en zijn vrouw. We zaten samen aan haar bed en ik hield haar hand vast, terwijl ze met open mond en ogen aan het slapen was. Samen zitten en bedenken wie ze ooit was en wat ze voor ons betekend heeft. Om toch nog iets te doen te hebben, deed ik de la met fotomapjes open en zocht daar de familiefoto’s tussenuit.
Ik nam afscheid met een zoen op haar wang en mijn gebruikelijke “Dag lieve tante.“.
De vrouw van mijn neef sliep bij haar en checkte op donderdagochtend twee juli of ze wat wilde drinken. Ze was echter overleden in haar slaap, bijna 90 jaar oud, na een vol en eigen-aardig leven.
De week erna was haar afscheidsdienst in de Oranjekerk in de Pijp in Amsterdam. Het was een christelijke dienst waarin ik heb kunnen vertellen wat een bijzonder leven ze heeft gehad als ontwikkelingswerkster in Suriname en Haïti, als sportieve vrouw die aan tennissen, skiën en lange afstand wandelingen deed en verre reizen maakte.
Waar is ze nu? Ik kan haar niet zo goed bij me voelen. Mijn Pa wel. Die reist met me mee. Ik kan ze wel voor me zien, die twee, kibbelend in de hemel. Na de eerste euforie van het weerzien, trekt mijn Pa zich alweer terug van haar. Er komen vragen in me op. De vraag “Bestaat er liefde in de hemel?“
Zou mijn tante haar grote liefde weer ontmoet hebben? Zou ik mijn vader kunnen koppelen aan die ontzettend lieve mooie sterke cliënte van mijn mindful beweeg-lessen die een paar jaar terug overleed?
En straks als ik terugga naar Nederland. Ga ik haar dan missen na die decennialange mantelzorg?
Wat blijft erover van iemand na het overlijden? Welke verhalen zullen verteld blijven?
De onoverkomelijkheid van de dood schrikt me af. Nooit meer die knuffel, nooit meer op bezoek, nooit meer haar stem die door de telefoon vraagt “Waar ben je nu?“
Maar er blijven zoveel herinneringen over die maken dat de liefde levend is en is dat niet dé reden van ons bestaan? Liefde ontdekken, ervaren, doorgeven, herinneren? Ze wordt gemist, die tante van me. Ik ben zo dankbaar dat ik vanuit mezelf al die jaren bij haar heb kunnen zijn. Dat ik voor één mens naast mijn eigen kinderen, zo belangrijk heb kunnen zijn en haar leven heb kunnen kleuren. Totdat haar leven zich terugtrok, de kleur verdween en ze op haar eigen-aardige manier ging hemelen.
Sriebieswietie (slaap lekker in het Surinaams), lieve tante.
